Hoe zit het met dierproeven?

De Europese wetgeving inzake chemische stoffen REACH streeft naar een evenwicht tussen het verwerven van inzicht in de gevaren van chemische stoffen en het vermijden van onnodige dierproeven. Meer te weten komen over chemische stoffen door ze te testen op dieren is een laatste redmiddel: registranten mogen enkel nieuwe dierproeven verrichten wanneer zij alle andere relevante en beschikbare informatiebronnen hebben uitgeput.

Voor sommige chemische stoffen is er nog geen informatie beschikbaar over hun effecten en is bijvoorbeeld niet bekend of zij kanker kunnen veroorzaken. De industrie moet daarom de lacunes in de informatie opvullen om inzicht te krijgen in de gevaren van de chemische stoffen die zij vervaardigt en gebruikt, om het veilige gebruik ervan te verzekeren en de potentiële risico's te beheersen, en om zeer zorgwekkende stoffen waar mogelijk geleidelijk aan te vervangen door veiligere alternatieven. Om die reden kan het nodig zijn nieuwe studies te verrichten naar chemische stoffen, in sommige gevallen met behulp van dierproeven.

Er zijn twee manieren waarop REACH probeert het aantal dierproeven tot het absoluut noodzakelijke te beperken:

  • Gezamenlijk gebruik van gegevens
    Bedrijven die chemische stoffen registeren, moeten informatie delen over de gevaarlijke eigenschappen van die stoffen en moeten die informatie over de gevaren samen indienen bij ECHA. Bedrijven die dezelfde stof vervaardigen of invoeren, moeten samenwerken en de resultaten van proeven op gewervelde dieren, zoals vissen, konijnen of ratten, delen. Betrouwbare, adequate studies mogen niet worden herhaald.
  • Alternatieve methoden en werkwijzen
    REACH reikt verschillende alternatieven voor dierproeven aan. Zo kunnen bedrijven gebruikmaken van bestaande dierproeven die zijn verricht vóór de inwerkingtreding van REACH. Zij kunnen de eigenschappen van stoffen ook voorspellen door de stof te vergelijken met een soortgelijke stof waarvoor al testgegevens beschikbaar zijn. Dit wordt de "read across"-aanpak genoemd.

De rol van ECHA

Als bedrijven bij het registreren van hun stof van mening zijn dat zij proeven moeten verrichten om de nodige informatie te vergaren, moeten zij ECHA details verschaffen over hun plannen om dierproeven te verrichten. Het Agentschap en de autoriteiten van de lidstaten moeten het over die zogeheten testvoorstellen eens worden voordat nieuwe tests van een hogere categorie mogen worden verricht (voor stoffen die geregistreerd zijn in de categorie boven 100 ton).

Om onnodige proeven te voorkomen, bekijkt ECHA alle testvoorstellen om na te gaan of de voorgestelde test naar verwachting betrouwbare en geschikte gegevens zal opleveren.

Ook publiceert ECHA elk testvoorstel voor proeven op gewervelde dieren op zijn website. Dit biedt burgers en organisaties de kans om wetenschappelijke informatie en studies over de stof door te geven. Als ECHA naar aanleiding van deze raadplegingen informatie ontvangt, brengt het het bedrijf daarvan op de hoogte en houdt het rekening met alle wetenschappelijke informatie en studies bij de voorbereiding van zijn besluit.

ECHA kan ook helpen bij het delen van de beschikbare gegevens en informatie over proeven. Zo kunnen registranten via het eChemPortal bijvoorbeeld nagaan of er informatie over dierproeven beschikbaar is bij andere autoriteiten.

Daarnaast geeft de informatiepagina (link) van ECHA burgers en organisaties een overzicht van de informatie in de registratiedossiers.

Tot slot draagt ECHA bij tot de ontwikkeling van alternatieve methoden voor het verrichten van proeven en promoot het het gebruik van zulke methoden. Het Agentschap ontwikkelt en beheert bijvoorbeeld samen met de OESO de QSAR-toolbox. Dat is een softwaretoepassing die bedrijven helpt om gegevens te identificeren die relevant kunnen zijn voor het beoordelen van de gevaren van chemische stoffen.

De rol van verschillende actoren

Om onnodige proeven op dieren te voorkomen, hebben veel actoren een belangrijke rol te spelen:

 

Een bedrijf dat chemische stoffen vervaardigt of importeert

Als REACH-registrant moeten bedrijven alle beschikbare informatie over het veilige gebruik van hun stof verzamelen. Zij moeten die informatie vervolgens delen en beslissen hoe zij lacunes in de informatie denken op te vullen. Waar mogelijk dienen zij dat te doen op een manier die geen dierproeven vereist. Als dat niet mogelijk is, moeten zij ofwel de proeven verrichten, ofwel, voor de hogere vereisten, een testvoorstel ter goedkeuring aan ECHA voorleggen. 

Burgers, onderzoekers en niet-gouvernementele organisaties

Zij kunnen wetenschappelijke informatie doorgeven naar aanleiding van de openbare raadpleging over testvoorstellen. ECHA houdt met deze informatie rekening in zijn besluit om al dan niet nieuwe tests toe te staan. Alle testvoorstellen voor proeven op gewervelde dieren worden gepubliceerd op de website van ECHA, waarna belanghebbenden 45 dagen de tijd hebben om te reageren.

Bevoegde autoriteiten van de lidstaten

De bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten worden geraadpleegd over alle ontwerpbesluiten van ECHA waarin om aanvullende dierproeven wordt verzocht. Zij zijn eveneens verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving ter bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden. 

ECHA-verslag: het gebruik van alternatieven voor dierproeven voor de REACH-verordening

Elke drie jaar brengt ECHA aan de Europese Commissie verslag uit over de informatievergaringsmethoden die zijn gebruikt in de plaats van dierproeven. Uit het verslag van 2011 blijkt dat veel bedrijven al alternatieven gebruiken voor dierproeven, zoals het delen van informatie en het toepassen van de "read across"-aanpak.

Biociden

Een van de doelstellingen van de nieuwe Biocidenverordening is het vermijden van onnodige dierproeven.

Voordat bedrijven dierproeven verrichten, moeten zij zich tot ECHA wenden om na te gaan of er al een proef of studie is verricht en ingediend om dezelfde informatie te achterhalen. Als zulke informatie voorhanden is, zijn bedrijven verplicht om de gegevens met elkaar te delen. Bedrijven die een aanvraag voor biociden hebben ingediend, kunnen ook proeven en studies opvragen die geen betrekking hebben op proeven op gewervelde dieren. Nieuwe proeven op dieren mogen uitsluitend als laatste redmiddel worden gebruikt.

Categories Display